Behold here comes the Dreamer – Homo Somnians

Hieronder een essay dat ik een tijdje geleden schreef voor het vak ‘Domesticatie van het Noodlot’, gedoceerd door Professor J. De Mul.

jozef-de-dromer

Homo somnians

Jozef zoon van Jakob was op bevel van zijn vader in de velden op zoek naar zijn broers. Hij was de op één na jongste en zijn oudere broers waren op zijn zachtst gezegd niet gecharmeerd van hun jongere bloedverwant, omdat deze de lieveling van hun vader was. Bovendien had Jozef te kennen gegeven gedroomd te hebben dat hij op een goede dag zou heersen over zijn oudere broers. In het veld zien de haatgevoelens koesterende broers Jozef echter eerder dan hij hen en spreken de beroemde woorden uit:

‘ziedaar de dromer komt!’

Jozef de Dromenduider
Hoewel het Bijbelse verhaal over Jozef na een vervelende aanvaring met zijn broers uiteindelijk goed uitpakt voor Jozef, is een negatieve betekenis het gezegde over de dromer komen aan te kleven en duidt het iemand aan die zijn of haar hoofd in de wolken heeft, zonder ook maar een greintje begrip van de praktische realiteit in zich te herbergen. Anders gezegd: dromen zijn bedrog. De connotatie van de dromer als naïeveling is ook in onze tijd populair. En nu nog is dromen voor velen een mysterieuze aangelegenheid: simpele natuurkundige wetten lijken vaak geen opgeld te doen, en de in retrospectief meest absurd toeschijnende gebeurtenissen worden zonder probleem aaneengeregen voor het innerlijke oog van de dromer.
Maar, is de droomwereld daadwerkelijk radicaal gescheiden van de wakende realiteit? Het aangehaalde verhaal over Jozef en zijn haatdragende broers vertelt naast de spottende verwijzing naar de dromer, ook over Jozef als niet onverdienstelijke dromenduider. Dit hermeneutische aspect van dromen heeft mensen altijd geïntrigeerd en er bestaat een lange traditie van droomduiding, die gemakkelijk ouder is dan het zojuist aangehaalde Bijbelse karakter Jozef: de eerste optekening van droominterpretatie gebeurde door de Egyptenaren op kleien tabletten en dateert van 4000 jaar voor Christus. Eeuwenlang werden dromen geïnterpreteerd als goddelijke ingevingen; dromen waren dragers van boodschappen door middel waarvan de goden met stervelingen communiceerden. Ondanks de metafysische en religieuze zweem rond dit vakgebied, hebben legio wetenschappers zich gebogen over het ongrijpbare fenomeen waarvan we (meestal) slapend kennis nemen. Filosofen hebben hierin nooit een uitzondering gevormd, zij het dat tenminste een deel van de wijsgerige visies argwanend van aard was en is. Zo neemt de filosoof die bekend is van zijn sociaal contract-theorie Hobbes een sceptische houding aan ten aanzien van de voorspellende waarde van dromen en stelt hij dat we onze dromen vaak onterecht als visioenen betitelen. Hobbes stipt hierbij aan dat we in zulke gevallen vaak moeite hebben om onze dromen te onderscheiden van het wakende leven. Een andere bekende filosoof die zich bezighield met het grensgebied tussen waken en dromen is de radicale scepticus Descartes. Hij draaide de vraag van de droomduiding als het ware om, en vroeg zich af hoe we kunnen weten dat alles dat we waarnemen niet gewoon een droom is. De bekende Cartesiaanse sceptische houding is ook voor ons als moderne mensen zeker niet vreemd als we het hebben over dromen. Sterker nog, we zijn regelmatig maar al te blij dat onze dromen geen bewaarheid worden. Zo dromen we vaak vervelende dingen en wie kent die angstige dromen niet, waarbij je wilt vluchten, maar je lichaam is enkel in staat tot beweging in slow motion? Soms worden we slapend geconfronteerd met ronduit trieste zaken, tot aan zelfs het overlijden van naasten en onszelf toe. Iedereen is weleens badend in het zweet wakker geworden door een nachtmerrie. Bedrog of niet, tragisch dromen is menselijk.

Aristoteles en tragisch dromen
Tragisch dromen. Oppervlakkig beschouwd lijkt dit een begrippenpaar dat in ieder geval niet contradictoir is, maar de diepere betekenis ervan verschuilt zich nog. De twee woorden zijn namelijk in zekere zin onlosmakelijk met elkaar verbonden. Om dit uit te kunnen leggen, is het toch nodig de twee termen eerst afzonderlijk te benaderen. Zo betekent tragisch meer dan het voor de hand liggende erg vervelend. Maar wat houdt dat meer dan in? Professor De Mul, wijsgerig antropoloog, geeft in zijn boek Domesticatie van het Noodlot uitleg en duidt het tragische begrip onder andere aan de hand van de oud Griekse tragedies. Bekende en minder bekende tragedieschrijvers passeren de revue, en ook filosofische alleskunner Aristoteles komt aan bod. Aristoteles schreef namelijk zijn Poëtica, een werk dat hem de bijnaam de Boekhouder van de tragedie opleverde, waarin op systematische wijze (sommigen zeggen op droge wijze) uit de doeken wordt gedaan hoe een goede tragedie eruit zou moeten zien. Heel kort samengevat is het voor een tragedie essentieel dat deze opgevat kan worden als een vorm van representatie –Aristoteles noemt dit mimesis- van de wereldse dingen. Ook de hoofdrolspeler is een persoon met wie het publiek zich gemakkelijk kan vereenzelvigen: de protagonist bezit een goed karakter en heeft initieel een gelukkige gemoedstoestand. Maar een tragedie zou geen tragedie zijn, als de held niet verzeild zou raken in een netelige situatie, die enerzijds een onontkoombaar karakter (ananke) heeft, en anderzijds wordt getriggerd door een verkeerde inschatting ofwel hamartia van de held zelf. Deze aspecten van herkenbaarheid zijn belangrijk, omdat Aristoteles via de opvoering van de tragedie een loutering (katharsis) van het publiek nastreeft. Katharsis kan ontstaan bij het publiek wanneer de door inleving veroorzaakte emoties van angst en medelijden na het moment van inzicht van de held en daarmee van het publiek (anagnorosis) op juiste wijze gebalanceerd worden, hetgeen bijdraagt aan het heil van de toeschouwer.
Deze korte uiteenzetting over het tragische begrip belicht door de tragedie en haar louterende werking volstaat voor nu, maar de lezer zal zich misschien afvragen waarom juist Aristoteles aangehaald is in deze context. Welnu, zoals gezegd was Aristoteles een alleskunner en er is weinig wat aan zijn vorsende blik ontsnapte. Naast tal van andere onderwerpen heeft de oud Griekse wijsgeer interessante dingen geschreven over slapen en waken, en de verhouding tussen deze twee fases; zo zag hij –in tegenstelling tot de broers van Jozef- het wakker zijn en het slapen, als twee bewustzijnstoestanden die zich bevinden op één en hetzelfde continuüm. Hierbij gaf Aristoteles bijvoorbeeld aan dat bepaalde illusoire werkingen van de perceptie, zoals het klein, rond en plat lijken van de zon door de enorme afstand, worden veroorzaakt door hetzelfde vermogen dat ons dromen voorschotelt wanneer we slapen. In De Divinatione per Somnum behandelt Aristoteles het onderwerp van voorspellende dromen. We hebben gezien dat op dit vlak er veel scepsis te vinden is onder filosofen en ook Aristoteles dacht niet dat de doorsnee mens dromen als visioenen zou kunnen hebben: het volk geloofde –net als de oude Egyptenaren- dat dergelijke voorspellende dromen door God gezonden zouden zijn, maar tegenstijdig genoeg waren het juist de minder wijzen en niet de beste mensen die zulke dromen claimden te hebben. Dat maakt deze goddelijke visionaire uitleg over dromen niet plausibel, aldus Aristoteles.
De zojuist aangehaalde verbinding tussen dromen en de gebeurtenissen in de wakende wereld was volgens Aristoteles niet enkel gelegen in de werking van onze perceptie. In De Divinatione per Somnum geeft hij ook hier uitleg over, die te koppelen is aan zijn werk over metafysica, in het bijzonder zijn uitwerking van potentialiteit en verwerkelijking; dromen zijn niet door God gezonden, maar hebben wel een ander goddelijk aspect. De natuur is volgens Aristoteles door God geordend, waardoor potentiële zaken en gebeurtenissen door goddelijke causaliteit al dan niet tot stand komen. Dit werkt ook zo bij dromen: een groot aantal dromen, die gezien kunnen worden als werkelijke gebeurtenissen in potentie, zal nooit in het wakende leven verwerkelijkt worden. Maar, als je maar vaak genoeg droomt (Aristoteles maakt hier de vergelijking met een gokker, wiens winkansen toenemen des te vaker hij de dobbelsteen werpt), dan zullen er altijd enkele dromen zijn die daadwerkelijk worden geactualiseerd. Aristoteles voegt toe dat dit –het overeenstemmen van een droom met een werkelijke gebeurtenis- dan toch altijd toeval is.

Freudiaanse katharsis en een functionele verklaring van dromen
Aristoteles had duidelijk een uitgesproken visie op tragedies en dromen. Maar er is meer te zeggen over de connectie van tragiek en dromen in Aristotelische zin, ook al heeft hij zelf dat verband nooit zo gelegd. Om dit duidelijk te maken, moeten we ons van de oud Griekse denkwijzen verplaatsen naar de meer recente ontwikkelingen op het gebied van onderzoek over dromen. De psychoanalyticus Freud was geïnteresseerd in onbewuste processen en hij zag opgekropte emoties als verstorend voor de psychologische balans van zijn patiënten. Dromen waren in zijn theorie een uitlaatklep voor deze voor het bewustzijn schadelijke energie. Freud herintroduceerde het Aristotelische begrippenapparaat en liet op verschillende manieren zijn patiënten bepaalde dromen herbeleven, om zo tot een purgatie van de onderdrukte emoties te komen. De psychoanalyticus streefde anders gezegd met zijn behandelmethoden naar een anagnorosis van de in het dagelijks leven beleefde traumatische ervaringen van de patiënt, zodat er een moment van katharsis kan optreden, waardoor de psychische onbalans wordt hersteld. Freud lijkt op deze manier het katharsisbegrip vanuit de oud Griekse kunst en de medische toepassing overgenomen te hebben in zijn psychoanalyse, en koppelt zodoende het tragische thema aan de droomwereld. Hoewel zijn behandelmethoden op den duur irrelevant werden, is de koppeling tragiek-dromen een cruciaal inzicht om meer begrip te kunnen ontwikkelen voor onze bevraagde notie van tragisch dromen.
De wetenschap had zich voor de vorige eeuwwisseling neergelegd bij het idee dat dromen geen functie heeft en als louter epi-fenomenale notie beschouwd moet worden. Dit impliceert dat de neurologische activiteit van onze hersenen tijdens de REM-slaap –de slaapfase waarin we dromen- als bijproduct dromen oplevert, zonder dat we als organisme hier verder baat bij hebben. In het jaar 2000 echter, kwam Antii Revonsuo, neurowetenschapper, psycholoog en filosoof, met de theorie op de proppen dat dromen wel degelijk een functie heeft en evolutionair voordeel oplevert. Op basis van de intuïtie dat dromen vaak een vervelende inhoud hebben, deed Revonsuo empirisch onderzoek en ondervroeg proefpersonen over hun droominhouden. Hieruit bleek dat meer dan 60% van onze dromen een voor de dromende persoon bedreigende situatie bevat, hetgeen betekent dat de gemiddelde persoon tijdens het dromen veel vaker met bedreigende situaties wordt geconfronteerd, dan in het alledaagse wakende leven. Daarnaast gaven de proefpersonen in het onderzoek aan dat deze dromen met bedreigende inhoud voornamelijk gebaseerd waren op ervaringen en gebeurtenissen uit hun echte leven. Revonsuo opperde mede op basis van deze gegevens de hypothese dat een groot deel van onze dromen erop is gericht om bedreigende situaties beter te kunnen onderscheiden en als het ware te oefenen. Je kunt als persoon met andere woorden een veelvoud aan gebeurtenissen doorleven, zonder dat je daar schadelijke gevolgen van ondervindt, met als gevolg dat je wanneer je met een dergelijke bedreigende situatie wordt geconfronteerd in je alledaagse leven, je hier zonder te hoeven nadenken adequaat op reageert. Door deze bevindingen kon Revonsuo beargumenteren dat onze voorouders een evolutionair voordeel hadden door hun capaciteit tot dromen en kon het vermeend epi-fenomenale karakter van onze dromen worden verworpen.

Het dromentheater
Revonsuo heeft een vanuit een empirisch wetenschappelijk discours een revolutionair robuuste theorie over één van de meest intrigerende menselijke eigenschappen neergelegd. Wat kunnen we hiermee nu in meer filosofische zin zeggen over tragisch dromen? En, waarom is tragisch dromen menselijk? We hebben gezien dat Freud met zijn psychoanalytische behandelmethoden het katharsisbegrip verbond met het thema van de droom. Freud echter handelde voornamelijk vanuit medische beweegredenen en utiliseerde dromen als middel om pathologieën te lijf te gaan. In de situatie van de behandeling hielp hij de patiënt zijn dromen te hergebruiken om er beter van te worden, maar het dromen op zich had geen genezende kracht of louterende werking. Daarnaast was het voor de effectiviteit van zijn ingrepen niet doorslaggevend of dromen wel of niet geconstrueerd worden door elementen uit het wakende leven. Je zou dus kunnen stellen dat in de Freudiaanse visie tragisch dromen vorm krijgt door de genoemde aanhechting van dromen met het Aristotelische begrip van katharsis dat ontleend is aan de normen voor een correcte tragedie. Maar dat is niet voldoende. Zoals gezegd figureerden dromen bij Freud in een genezingsproces en speelden ze geen autonome rol. Het is lastig om op grond hiervan uit te leggen wat tragisch dromen dan exact menselijk maakt, omdat de tragische dromen een product zijn van de interactie van geneesheer en patiënt, en bovendien kennelijk enkel bestaan bij gratie van uitzonderingsgevallen, namelijk zieke mensen.
Revonsuo daarentegen heeft met zijn onderzoek hét kader geproduceerd om nader te specificeren waarom tragisch dromen menselijk is en zijn theorie toont ons dat Aristoteles in zijn tijd al heel dichtbij een dergelijke explicatie was. Allereerst handelt Revonsuo’s theorie over in principe alle mensen, en niet enkel over zieke mensen, zodat het bezwaar dat de Freudiaanse visie hieromtrent opwierp geen probleem is. De dromer is bij Revonsuo autonoom, dat wil zeggen, de dromen worden op natuurlijke wijze gevormd in de slaap en zonder tussenkomst van een ander persoon op dat moment. Dit neemt het andere aangestipte bezwaar van de droom als bijproduct van een behandelingsinteractie tussen twee personen weg. Wat houden we dan over? De interessante mogelijkheid om te viseren dat elk mens elke nacht de protagonist is in het tragische dromentheater van de slaap. Een groot deel van dromen heeft te maken met bedreigende situaties, situaties die zoals we eerder opmerkten op zijn minst erg vervelend kunnen zijn. Aristoteles leerde ons dat de mimetische aard van de poëzie, specifiek de tragedie, een bepaalde distantie voor het publiek oplevert, die nodig is om tot loutering te komen. Een dergelijke distantie is ook terug te vinden in de droomwereld, doordat de dromer in ieder geval fysiek niet beschadigd raakt tijdens bedreigende situaties in dromen, net als het oud Griekse publiek dat weliswaar werd meegesleept door de opvoering, maar uiteraard uiteindelijk ongedeerd huiswaarts keerde. De dromer is zo bezien hoofdrolspeler en publiek tegelijk in de tragedie van zijn dromen. Het is de oefening en loutering door keer op keer bedreigende situaties te doorstaan in onze dromen met nut doorwerkend in het wakende leven, die adequaat te spiegelen is met het Aristotelische begrip van katharsis. Het is naast het kwalitatieve aspect –de droominhoud-, ook het kwantitatieve aspect van onze dromen, waarop Aristoteles reeds zinspeelde met zijn beeld van de gokker, dat essentieel is: een deel van het succes van ons droomvermogen is erin gelegen dat het theater van de slaap ons de mogelijkheid biedt om ongestraft erop los te dromen, opdat de kans op een toevallige overeenkomst van de tragische droom met de wakende werkelijkheid gestaag toeneemt.

Ziedaar de dromer komt.

De mens met zijn dromentheater is intrinsiek tragisch. Tragisch dromen is menselijk precies om de reden dat onze dromen ons menselijke voortbestaan vormgeven door de paradox dat we zo dikwijls tragisch dromen, juist om tragische gebeurtenissen in het wakende leven te ontlopen, of in ieder geval minder tragisch te maken.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *