Dweepfilosofen

Dwepen. Een woord dat je niet vaak hoort of leest. Het is best een mooi woord vind ik. Ik heb het laatst zelf weer eens gebruikt, en omdat zoals ik al zei het geen woord is van je normale dagelijkse vocabulaire, denk ik er nu nog even aan terug. Het woord viel tijdens een gesprek met vriend Peter Bastiaanssen, filosoof en kunstenaar, over Deleuze. Deleuze is op het eerste gezicht een best lastige filosoof, met een jargon ondoordringbaar als een jungle. Zoals Peter opmerkte, zijn er veel kunstenaars die dwepen met Deleuze. Dat kun je op zich, ook als je geen kunstenaar bent, als irritant ervaren. Maar erger wordt het in mijn ogen wanneer je als filosoof dweperig gedrag vertoont. Waar je wellicht in de kunsten nog weg kan komen met eclectisch post-modernistisch proletarisch winkelen in de conceptenvergaarbak die de filosofie is, daar ben je als filosoof toch op zijn minst tegenstrijdig bezig wanneer je dweept.

Maar waarom dan eigenlijk? En, wat is dwepen nu helemaal?

Wel, dwepen veronderstelt een bepaalde bewondering voor een persoon of zaak. Daar is an sich niets mis mee, met bewondering. Maar, als je bijvoorbeeld Deleuze bewonderend aanhaalt en dit blijft doen zonder dat je ook maar één schilfertje aan kritiek in de geest van je verhaal toelaat, dan bega je een filosofische zonde. Want filosofie ís kritiek zij het destructief, zij het constructief. De filosofie zou een open raster moeten zijn, waar elke verbinding van alle kanten kan worden bekeken en zo nodig bekritiseerd. Zou moeten zijn… Want in de echte filosofische wereld is het niet altijd anders dan daarbuiten. Er zijn genoeg dweepfilosofen. Dat gezegd hebbende, draait Deleuze zich denk ik nog wel een keer om in zijn graf.

2 thoughts on “Dweepfilosofen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *